Nader tot Reve: Nieuwsarchief Naar de homepage van Nader tot Reve
tak
De geboorte van het revisme
14 maart 2026
Dat een liefhebber van het werk van Gerard Reve een revist is, is een veel voorkomend maar ook een wat pijnlijk misverstand. Een Reve-liefhebber is een reviaan. Een revist is een aanhanger van het revisme, een door Reve in de jaren zestig bedachte sadomasochistische filosofie en levensstijl.
Ergens in de jaren negentig, in een interview met Tom Rooduijn, definieerde Reve het revisme als volgt:
Dat revisme bevat zowel masochistische als sadistische elementen. Je droomt ervan om derden aan het object van je liefde te geven. Ik begeer die jongens óók, maar ik zie ervan af. Ik onthoud mij en offer ze aan de Meedogenloze Jongen, die ze tuchtigen mag.
In de praktijk van Reves werk is het Revisme een complex geheel van variaties en verdiepingen op het bovenstaande basisidee en heeft het naast seksuele ook religieuze elementen (de Meedogenloze Jongen is seksueel en religieus). Van groot belang in het revistische universum zijn gedetailleerde beschrijvingen van het uiterlijk van de personages, hun kleding, van de setting en van de gebruikte attributen. Het principe van het Revisme kan universeel toegepast worden maar bij Reve is het, op enkele zeldzame uitzonderingen na, een homoseksuele aangelegenheid.
Dit artikel onderzoekt de eerste fase van het Revisme in het werk van Gerard Reve en poneert tevens de stelling dat de grote rol die het Revisme speelt in 'De Taal der Liefde' (1972) en 'Lieve Jongens' (1973) een deelverklaring is voor de afnemende populariteit van Reve in de jaren zeventig.
Het artikel is van inleidende aard en beperkt zich tot de periode van 'Nader tot U' (1966) tot 'Lieve Jongens' (1973). Mogelijk dat in een later stadium in een meer uitgebreid essay of boek de rest van Reves oeuvre, inclusief de brieven, maar ook interviews, secundaire literatuur, recensies etc. meegenomen kunnen worden. Voor dit artikel was een dergelijke compleetheid niet mogelijk.
Het begin
In eerder werk van Reve zijn duidelijk allerlei sadomasochistische elementen terug te vinden. Te denken valt bijvoorbeeld aan de tamelijk vergaande martelfantasieën van Frits en Maurits in 'De Avonden' (1947) en ook in 'Tien Vrolijke Verhalen' (1961) gaat het er nogal ruig aan toe.
Maar het revisme, zoals in de bovengaande definitie, wordt pas geïntroduceerd in 'Nader tot U' (1966). Ook de term zelf komt dan pas voor het eerst voor. In het eerste deel van de laatste brief in het boek, 'Brief uit het huis genaamd Het Gras', die gedateerd is op 27 augustus 1965, vertelt Reve het verhaal van de geurloze jongen. Ergens eind jaren vijftig had hij een jongeman in het havengebied van Amsterdam (toen nog rondom CS) opgepikt en mee naar huis genomen.
Reve hoort de jongen, die eveneens Gerard heet, in Den Haag woont en vertegenwoordiger is in textiel, flink uit. Al snel komt hij te weten dat de jongen een vriend heeft, een straaljagerpiloot van negentien. Alsjeblieft. Reve wil natuurlijk meteen alles weten over de Jonge Luchtheld maar van zijn koortsachtige vragen begrijpt de Haagse Gerard niet veel: "Is het een jongen met oortjes?"
Vervolgens blijkt dat het liefdesleven van Gerard en zijn Aanbiddelijke Luchtengel op een dood punt zit. Reve wil natuurlijk wel helpen en krijgt te horen dat in Den Haag tijdens de daad het licht uitgaat én er geen verhalen worden verteld:
Dus je vertelt hem niks over jongens die hij martelt of laat martelen?’ vroeg ik nu. Het beslissende woord drong niet goed tot hem door. 'Wat? ' 'Martelen' zei ik ongeduldig. 'Pijnigen met grote wreedheid, inzonderheid als strafvoltrekking, of teneinde een bekentenis af te dwingen.' Hij begreep nu wel wat ik bedoelde, maar nut of verband bleven hem ontgaan.
Met grote moeite weet Reve de jongen de basisbeginselen van het revisme uit te leggen maar veel vertrouwen op succes heeft hij niet:
(..) ik twijfelde er aan, of hem alles wel duidelijk was; ja, zelfs wanhoopte ik, of ik ooit nog voor mijn revistiese Sprookjes van Vader Ezel bij enig mensenkind begrip zou vinden.
Enkele weken later komt de jongen weer langs. Hij blijkt bij zijn Hemelprins groot succes te hebben gehad met een vertelling over een gebeurtenis bij de padvinderij, waarbij een jongen langdurig vastgebonden was, etcetera.
Reve ziet meteen mogelijkheden om Gerard en zijn piloot in een revistiese constellatie te betrekken met zijn eigen vriend Wimie en:
Het revisme zou eindelijk tot ontplooiing komen en, vanuit een nederig krothuis in Amsterdam, zijn heilbrengende zegetocht over de wereld aanvangen.
Enkele maanden later krijgt het Revisme echter een gevoelige klap wanneer Haagse Gerard komt vertellen dat zijn donkerblonde adelaartje bij een kresj om het leven is gekomen.
Dat hiermee een van de belangrijkste thema’s in het verdere werk van Reve was geïntroduceerd, is destijds door weinig lezers en critici opgemerkt: 'Nader tot U' was een behoorlijk verkoopsucces en kreeg veel publiciteit, maar die was vooral gericht op de 'Ezelpassage', waarin de verteller zich lichamelijk verenigt met God die in de gedaante van een ezel voor de deur had gestaan.
Succes met de brief
Na het bescheiden succes van 'De Avonden' (1947) kwam Reve langdurig in een literaire impasse terecht. Jaren werden verspild met pogingen om proza in het Engels te schrijven en als toneelschrijver, wat weer jaren kostte, wist hij ook niet door te breken.
En Reve was geen 'langebaanschrijver' zoals zijn collega en voormalige vriend Willem Frederik Hermans. Zomaar wat verzinnen en daar een dikke roman over schrijven kon hij gewoon niet. Het moest direct of indirect over hemzelf gaan.
De ontdekking van de brief aan een fictief publiek als literaire vorm was dan ook een enorme uitkomst. Begin jaren zestig begon hij hiermee te experimenteren en dat resulteerde in de 2 brievenboeken 'Op Weg Naar Het Einde' (1963) en 'Nader tot U' (1966).
En weg was de literaire impasse én meteen ook de financiële misère waar hij eigenlijk al zijn hele leven in verkeerde. Met de twee boeken was hij een bekende en veelbesproken schrijver geworden. Tegelijkertijd had hij een nieuw en tamelijk omvangrijk lezerspubliek aangeboord.
Wat sprak die lezers zo aan in de twee boeken? Vermoedelijk een combinatie van elementen: een onnavolgbare mengeling van humor en ernst, een snelle afwisseling van uiteenlopende, veelal zeer persoonlijke onderwerpen, opzienbarende provocaties, het direct aanspreken van de lezer die daarmee dus (ogenschijnlijk) betrokken werd in het dagelijks leven van Reve, geen gêne over drankgebruik en het zonder taboes behandelen van thema’s als (homo)seksualiteit en religie. En met al deze elementen en zijn onnavolgbare stijl schiep Reve een wereld waarin veel mensen zich herkenden en waarin ze meegenomen wilden worden.
Een nieuwe impasse
Na 'Nader tot U' kwam Reve echter weer in een schrijf-impasse terecht. Er waren problemen met en afleiding door drank, uitgevers, relaties, (ver)huizen, publiciteit en processen. Het was allemaal zo veel en heftig dat van schrijven niet veel terecht kwam en een grote nieuwe roman verscheen pas weer in 1972.
In de tussenliggende jaren kwamen er enkele kleinere werken uit, in min of meer bibliofiele oplagen: in 1967 'Veertien Etsen van Frans Lodewijk Pannekoek voor Arbeiders Verklaard': een prachtig drankverhaal over Reve en de schilder Pannekoek met wie Reve bevriend was en die in de buurt van Greonterp woonde. In 1971 verscheen 'Vier Pleidooien', met twee rechtbankpleidooien die Reve tijdens de ezelprocessen had gehouden, het dankwoord na ontvangst van de PC Hooftprijs en nogmaals het Veertien Etsen verhaal.
Maar van belang voor dit artikel is de uitgave die in 1968 bij Atheneum-Polak & van Gennep en Thomas Rap verscheen: 'A Prison Song in Prose'. Een kort verhaal, in het Engels, gedateerd op 13 juli 1960, opgedragen aan de Britse schrijver Angus Wilson en geïllustreerd door Thomas Koolhaas. Zoals de titel al doet vermoeden was het een sterk revistisch verhaal over een martelverhoor van een mooie jongen in een jeugdgevangenis. Een voorbode van de verhalen in 'De Taal der Liefde'. Een groot publiek bereikte dit werk evenwel niet: van de oplage van 3.000 stuks werd iets meer dan de helft vrij snel verkocht en daarna ging de verkoop zeer moeizaam. In Groningen lag eind jaren 80 bij boekhandel Scholtens nog een flink stapeltje in de ramsj.
'De Taal der Liefde' en 'Lieve Jongens'
Begin 1972 verscheen dan eindelijk nieuw prozawerk van Reve: 'De Taal der Liefde' (1972). Het boek bevat 5 hoofdstukken en een katern met brieven aan Simon Carmiggelt, de bekende schrijver met wie Reve in die tijd bevriend was. Reve was overgestapt naar de uitgeverij van de bevriende (en zeer welgestelde) Johan Polak: Atheneum-Polak & van Gennep. Het boek verscheen in een opvallende rode omslag, voor de schappelijke prijs van 10 gulden.
De Reve-liefhebbers hadden meer dan vijf jaar moeten wachten op nieuw werk en dat zal een belangrijke reden zijn geweest van het grote verkoopsucces. Nooit eerder (en later) waren er van een boek van Reve in de periode na de publicatie zoveel exemplaren verkocht: meer dan 125.000.
Maar lezers die een soort vervolg op 'Nader tot U' hadden verwacht, kwamen bedrogen uit. De hierboven genoemde elementen die de twee brievenboeken voor veel mensen zo aantrekkelijk hadden gemaakt, waren in 'De Taal der Liefde' maar in beperkte mate aanwezig. Ze hadden plaatsgemaakt voor het Revisme. In de eerste twee hoofdstukken, die zich in Amsterdam in de Plantagebuurt en op Reves landgoed in Frankrijk afspelen en waarin Reve nog alleen met Tijger is, is het revisme nog niet helemaal de hoofdrolspeler, maar ook zeker niet afwezig:
Mag ik hem over de knie nemen, voordat hij je gaat toebehoren? Ik zal hem voor je vastbinden op de jongensbank, lief dier. Mag ik hem voor je martelen, met de jongenszweep? Of met de lange jongensrotan? Hij moet de dunne strafbroek aantrekken. Ik wil hem ranselen voor je, als hij ongehoorzaam tegen je is. Ik zal hem met zijn polsen aan de muur ketenen en een tafel tussen hem en de muur zetten, dat zijn kont goed spant. Dan geef ik jou de jongenszweep, lieverd. Zul je hem laten loeien en zingen?' 'Ja beest, ik zal hem laten zingen en dansen.' 'Met de jongenszweep?" 'Ja, met de jongenszweep.'
In de laatste drie hoofdstukken, na de brieven aan Carmiggelt - die in latere uitgaven van 'De Taal der Liefde' niet meer zijn opgenomen - draait het alleen nog maar om het revisme. In een niet duidelijk gespecificeerde locatie ligt Reve in bed met Woelrat en ter wederzijdse opwinding worden drie hoofdstukken lang revistische sprookjes verteld, slechts af en toe onderbroken door korte herinneringen aan gebeurtenissen uit het verleden. De laatste twee hoofdstukken hebben de veelzeggende titels: 'Wie Zijn Vriend Liefheeft…'' en 'Spaart De Roede Niet'.
De grote lijnen in de revistische sprookjes zijn een herinnering aan een bootreis naar Portugal met matroos Walter, aan Fonsje en zijn rode sportauto en aan de reis van VOC-kapitein Van Der Decken. Het boek eindigt met de onthulling van Reve’s omgang met de koningin, een fabulatie die ook in later werk diverse keren terugkomt.
De vijf hoofdstukken van 'De Taal Der Liefde' vormen eigenlijk één geheel met het een jaar later verschenen 'Lieve Jongens'. Eind jaren zevetig werden de twee boeken bij Elsevier dan ook in één band uitgegeven, zonder de brieven aan Carmiggelt. In nog weer latere uitgaven, bij Veen, Rainbow pockets en De Bezige Bij werden de twee wel weer gescheiden, maar altijd zonder de brieven.
'Lieve Jongens'
'Lieve Jongens' verscheen begin 1973, in een vergelijkbare uitgave als van 'De Taal der Liefde'. Reve heeft de twee boeken vrijwel in één ruk achter elkaar geschreven.
Ook in 'Lieve Jongens' voert het revisme de boventoon: de ik-persoon blijft vertellen aan Woelrat, over Fonsje en nu ook over Wolfgang, die een zoon is van Wolfgang, een Duitse soldaat met wie de ik-persoon in de Tweede Wereldoorlog een relatie heeft gehad. Bijna alsof Reve wel wist - en vermoedelijk was dat ook zo - dat niet al zijn lezers op 180 pagina’s revistische sprookjes zaten te wachten, wordt daarom de vertelling voortdurend onderbroken door korte herinneringen en anekdotes, in een stijl waar Reve patent op heeft.
Het boek wordt afgesloten met een langer verhaal, over de 'oude', halfdove Albert S. en diens jonge vriend Freddie, op wie ook weer allerlei revistische fantasieën worden losgelaten. Dat beide personages geïnspireerd waren op Gerrit Komrij en Charles Hofman, met wie Reve en Willem in de jaren 60 een periode contact hadden, ontging toentertijd vrijwel iedereen. Behalve Komrij zelf dan die zich uiteraard wel herkende in de buitengewoon vilein neergezette Albert S.. Erg netjes was dit niet van Reve en er kwam later ook nog wel enige heibel van. Zie bijvoorbeeld het interview van Bibeb met Hans Warren. Maar voor de nietsvermoedende lezer was het een mooi verhaal.
Lezers haken af
De twee boeken waren inhoudelijk dan wel sterk met elkaar vergelijkbaar, toch was er een groot en voor Reve nogal pijnlijk verschil: de verkoop. 'Lieve Jongens' haalde nog niet de helft van de oplage van 'De Taal Der Liefde'. Hoe kon dat?
De revistische sprookjes in De Taal Der Liefde bevatten een duidelijk racistische ondertoon en ook in de brieven aan Carmiggelt gaat Reve af en toe flink los. Ook buiten de fictie kwam Reve regelmatig met (politiek) extreme uitlatingen.
'Volksschrijver'
Dit wordt als de belangrijkste reden gezien waarom veel Reve-liefhebbers afhaakten. Begin jaren zeventig ging Reve zich 'Volksschrijver' noemen en kwam hij met onderzoek aanzetten dat zijn boeken voornamelijk door huisvrouwen werden gelezen. Maar dat was een fabulatie en mogelijk ook wensdenken: het 'volk' en huisvrouwen lazen zijn boeken niet en zouden dat ook nooit gaan doen. Zijn publiek bestond voor een belangrijk deel uit hoger opgeleide, veelal progressieve lezers en die zaten niet op zijn racistische praatjes te wachten.
Heibel met de homowereld
Een ander belangrijk publiek voor Reve was de homowereld (een deelverzameling van bovengenoemde). Die trad in de jaren zestig langzaam in de openbaarheid en steeds meer mensen durfden uit de kast te komen. Reve zelf had hier een flinke bijdrage aan geleverd met zijn beide brievenboeken en hij werd dan ook door velen beschouwd als een boegbeeld van de homo-emancipatie.
Reve was daar echter niet geschikt voor en hij kreeg al snel heibel met mensen, tijdschriften en organisaties die zich voor die emancipatie inzetten, bijvoorbeeld het tijdschrift Dialoog en de belangenvereniging COC. Ook begon hij in openbare uitingen en in zijn boeken steeds vaker een eenzijdig en nogal particulier homo-ideaal uit te dragen.
De ideale homo
Reves ideale homo was stoer en een zeer mannelijk type, aan wie je eigenlijk niet kon merken dat hij homo was. Ook had deze homo er, uit lustoverwegingen of oppurtuniteit, geen moeite mee ook met vrouwen te verkeren. Deze mannelijke homo wordt in een scherp contrast gezet met eigenlijke alle andere homo-types, maar met name met het 'nichterige type'.
Heel duidelijk gebeurt dat in het VOC-sprookje in 'De Taal Der Liefde', waarin de stoere homoseksuele kapitein Van Der Decken (een soort Reve dus) in conflict komt met de zeer nichtigere scheepsdominee Bollius. De dominee maakt een verkeerde opmerking en moet dat meteen met zijn leven bekopen.
Dergelijke verhalen en kwalificaties zullen zeker niet bij iedereen in Reves homoseksuele lezerspubliek in goede aarde zijn gevallen.
Problemen met het lezerspubliek
In de Reve-studie wordt dit problematische homobeeld en ook het revisme maar weinig genoemd als de oorzaak van de problemen van Reve met zijn lezerspubliek en uberhaupt maar zelden ter sprake gebracht. Het lijkt evenwel interessant genoeg voor verdere studie.
Revisme voor Reve van groot belang
Voor Reve zelf was het revisme van het allergrootste belang. Hij zag het bovendien als iets universeels: al dan niet diep verborgen was iedereen gevoelig voor de thema’s van het revisme: macht, vernedering, pijn en lust.
Dat hij verkeerd begrepen zou worden, zag hij wel aankomen. Dat men dacht dat hij rare 'seksboeken' schreef, terwijl hij eigenlijk "in eerste en laatste instantie een religieus schrijver" was, nam hij op de koop toe. Met enige regelmaat bleef hij zelfs fantaseren over het oprichten van een nieuwe wereldgodsdienst waarbinnen uiteraard het revisme de dienst zou uitmaken.
Revisme breekt nog niet door
Het moge duidelijk zijn dat zoiets tot dusver niet heeft plaatsgevonden. Mogelijk dat Reve gelijk heeft met het universele karakter van zijn ideeën, maar dan zit het bij de meeste mensen wel erg diep verborgen. Ik heb in de afgelopen decennia heel wat revianen gesproken, maar daar zat eigenlijk nooit iemand bij die Reve apprecieerde vanwege het revisme.
Bijna iedereen was reviaan geworden door de twee brievenboeken en/of 'De Avonden'. En het kan bijna niet anders dan dat een flink deel van die Revianen teleurgesteld waren in 'De Taal der Liefde' en niet meer naar de winkel ging om 'Lieve Jongens' te kopen. Vanwege het racisme, het homobeeld maar dus ook vanwege de pagina's lange revistische sprookjes. De revianen wilden de Reve van de brievenboeken, maar Reve was een andere weg ingeslagen.
Uiteraard liep niet iedereen weg. Dat bewijst alleen al dit boek. Reve had heel goed door dat met alleen schrijven over het revisme de kachel niet kon branden. Nog twee keer na 'Lieve Jongens' kon hij het niet laten en liet hij het revisme de boventoon voeren: in 'Een Circusjongen' (1975) en in 'Wolf' (1983), maar beide boeken werden geen succes. In zijn verdere proza speelde het revisme altijd wel een rol, in bijvoorbeeld 'Oud en Eenzaam' (1978) zelf een belangrijke, maar voor de niet-revist was er altijd wel genoeg vintage-Reve om reviaan te blijven.
Misschien was dat vanaf 'Nader tot U' wel de missie van Reve: de heilsboodschap van het revisme, die velen in zijn pure vorm wat rauw op het dak viel, te verstoppen in een fraaie en aantrekkelijke verpakking, om zo langzaam er toch de geesten rijp voor te maken.

U heb ik lief
Dit artikel is eerder verschenen in 'U heb ik lief' (2024) en heeft voor publicatie op deze website een aantal kleine bewerkingen ondergaan.
Tekst: Peter Smeets