Nader tot Reve: Nieuwsarchief Naar de homepage van Nader tot Reve
tak
20ste sterfdag Gerard Reve
8 april 2026
Twintig jaar na zijn dood: wie weet er nog wie Gerard Reve was?
"Wat blijft er uiteindelijk van over?", vroeg Gerard Reve zich ooit af in een interview1.
"Na mijn dood word ik op de scholen tien jaar vrijwillig gelezen en daarna nog eens tien jaar verplicht. Dan noemen ze een straat naar me. En dan ben ik helemaal vergeten. Niemand weet toch meer wie Tweede van der Helst was?"
Woensdag 8 april 2026 is het precies twee maal tien jaar geleden dat de zelfbenoemde Grote Volksschrijver overleed, 82 jaar oud. Alle kranten brachten het nieuws indertijd op de voorpagina. Is hij intussen inderdaad "helemaal vergeten", zoals de schrijver zelf in 1982 (toen 59 jaar oud) voorspelde?
Of hij op scholen nog gelezen wordt, al dan niet vrijwillig, valt inderdaad te bezien. Maar die straat is er al lang gekomen, meerdere zelfs. Nieuwbouwwijken in Haarlem, Utrecht en Culemborg kennen al ruim tien jaar een Gerard Revestraat. In soortgelijke buurten van Goes en Groningen treffen we een Gerard Revelaan aan. In Voorschoten ligt een Gerard Revesingel en in Leiden een Gerard Revehof. Amsterdam tenslotte, de stad waar hij geboren en getogen is, maar die hij uiteindelijk zou verfoeien als 'lugubere feesttent waarop een vloek schijnt te rusten', daar is zowaar niettemin tien jaar geleden een Gerard Revebrug gekomen, over het Amstelkanaal vlakbij de Jozef Israelskade (de straat waaraan Reve 'De Avonden' heeft geschreven) en ook dichtbij zowaar: de Tweede Van der Helststraat.
Toch valt op dat bekende columnisten als Sylvia Witteman (Parool), Frits Abrahams (NRC) en Max Pam (Volkskrant) de overleden auteur geregeld nog citeren. En ofschoon het aantal berichten over hem geleidelijk aan wel afneemt, zien we op deze Reve website nog van tijd tot tijd interessante artikelen verschijnen.
De uitvoerige biografie over zijn leven, zo’n vijftien jaar geleden verschenen, laat onverlet dat soms nog personen op mijn pad komen van wie ik niet wist dat ze een geschiedenis met Reve hadden.
Een aangename verrassing was het toen Adriaan Norbart, lid van dezelfde Amsterdamse zwemclub Upstream als ik, vertelde dat ook hij korte tijd de bijzondere belangstelling van de schrijver mocht genieten. Ruim veertig jaar geleden is dat geweest, in 1985.
Pasfoto van Adriaan Norbart
Pasfoto van Adriaan uit zijn studententijd
Adriaan studeerde Nederlands in Leiden. Op uitnodiging van de universiteit gaf Reve er gastcolleges die in druk zijn uitgebracht onder de titel 'Zelf Schrijver Worden'. De vier openbare voordrachten trokken flink wat belangstelling.
Daarnaast verzorgde Reve met hoogleraar Ton Anbeek werkgroepen waarin het oeuvre van de schrijver letterkundig onder de loep werd gelegd. De toen 22-jarige Adriaan meldde zich aan: "Ik had al het een en ander van hem gelezen. Dat ironisch cynische sprak ons studenten in die tijd erg aan. Onder vrienden waren reviaanse termen geliefd. 'Beer' en 'Wolfje', zo noemden mijn vriend en ik elkaar. Dus leek het me wel interessant, die bijeenkomsten met Reve zelf. En ik voelde me gevleid toen ik merkte dat hij me leuk vond en vroeg of ik koffie met hem wilde drinken."
Adriaan herinnert zich met name ook "dat aparte taaltje van hem. Hij sprak bijna net zoals hij schreef. Had het over lederopdracht, lekker dubbelzinnig als het kon. Ik moest er vaak om lachen, maar merkte ook dat hij steeds meer op een parodie van zichzelf begon te lijken. Een soort nar die ontregelde en de rol die hij speelde volledig zich eigen had gemaakt. Je wist nooit precies wat je nou aan hem had. We kwamen te spreken over mijn overleden moeder. Dit was het enige dat hem dusdanig raakte dat hij gewoon even zichzelf was en empathisch naar mij reageerde."
Adriaan ontving een lange brief waarin Reve terugkwam op het gesprek over "de dood van je moeder". De schrijver die zelf zeer op zijn moeder gesteld was geweest, maar ook gemengde gevoelens had behouden, concludeerde: "Neen, geen gemakkelijk onderwerp". Deze brief van 21 november 1985 nam Reve op in de bundel 'Brieven Van Een Aardappeleter', overigens zonder het Adriaan tevoren te vragen. Het betrof een typische Reve brief met ernst en luim door elkaar.
Omdat Adriaan een keer bij een werkgroep was weggebleven fantaseerde de schrijver dat professor Anbeek de student misschien wilde straffen, maar hij zou hem vragen dit niet te doen, "of uitsluitend als ik er bij mag zijn of als de tenuitvoerlegging aan mij gedelegeerd wordt". Toch zou Reve dan eerst "het gebied van de tuchtiging van je (gouden jongens-)lichaam langdurig [inwrijven] met snel helende balsem, die riekt naar het kookvuurtje van R.K.Zeeverkenners, op het met pijnbomen bedekte, geheime eiland van Liefde en Leed. Zeg maar als ik te veel praat."
fragment brief Gerard Reve
Fragment van brief Gerard Reve aan Adriaan Norbart
Dat laatste was nu precies wat Adriaan geleidelijk aan ook daadwerkelijk zo ervoer. En het begon te irriteren: "Hoewel hij overal wel een grappig commentaar op gaf was ik er klaar mee, toen we een keer met alle studenten en hem samen aten in Camino Real, een restaurant in Leiden, en hij daar een kwade dronk over zich bleek te hebben. In het wilde weg begon hij onbeschoft te tieren tegen een studente van wie opeens niets meer deugde en die hij de meest vreselijke verwensingen naar het hoofd slingerde. Toen had ik het echt gehad met hem, al vond ik het ook sneu. Want ik ben best onder de indruk gebleven van hem als schrijver. Naar mijzelf toe is hij ook hartelijk gebleven. Belde dan op en nodigde me zelfs uit om samen te eten in de stationsrestauratie van Holland Spoor in Den Haag, waar ik woonde. Bestel maar gerust het duurste, zei hij, terwijl hij bekend stond als een zuinige man".
"We hebben ook prettig gewandeld door Leiden en de gesprekken waren onderhoudend en vermakelijk. Hoewel het een keer toch pijnlijk werd toen we een vriend van mij ontmoetten. Die jongen had een zwarte geliefde en daar liet Gerard zich laatdunkend over uit, ook al deed hij dit zo dat je niet exact wist of het nou serieus bedoeld was dan wel ironisch. Naast die mooie met de kroontjespen geschreven brief kreeg ik nog het gedicht 'Herkenning', speciaal voor mij met opdracht op een apart vel uitgeschreven, en enkele ansichtkaarten uit Engeland waar hij toen een huis had."
In het gedicht 'Herkenning' komt de zinsnede voor: "Ik hoor mijn Moeders stem" en aansluitend: "O Dood, die waarheid zijt: nader tot U". Het ligt voor de hand dat Reve juist dit gedicht voor Adriaan had uitgekozen gezien het gesprek over hun beider gestorven moeders. En evenmin toevallig: het gedicht dateerde Reve 'Allerzielen 1985', de katholieke gedenkdag voor de doden.
Gedicht herkenning
Een door Gerard Reve uitgeschreven versie van het gedicht 'Herkenning' voor Adriaan Norbart
De schrijver zag in zijn contact met Adriaan dus 'herkenning', maar dit idee was toch echt nogal eenzijdig. En Reve voelde dat ook aan: "Nooit is hij handtastelijk geworden, het bleef bij een kus op de wang. Verder bracht hij zijn boeken voor me mee, en ook daar zette hij zijn handtekening in, soms met opdracht. Zoals het mooie 'Album Gerard Reve', dat hij signeerde op Sint Maarten 1985, 11 november dus".
Wel merkte ik dat hij onder de plak zat bij zijn vriend die ik overigens nooit persoonlijk heb ontmoet. Gerard had het er steeds over dat hij alles eerst aan Joop moest voorleggen. Verder nodigde hij me uit met mijn toenmalige geliefde Fred te komen logeren in Schiedam waar hij geregeld vertoefde in de woning van Joop. Daar ben ik niet op ingegaan, leek me geen goed idee. Gerard was veertig jaar ouder dan ik en dat besefte hij ook wel. Soms kon hij een beetje sip zeggen: Ja, als ik jonger was geweest dan… En dat bevestigde ik gretig, want zo was het inderdaad. Ik vond hem letterkundig interessant, niet als man. Voor mij is de ontmoeting met Gerard Reve al met al een bijzondere ervaring geweest, vooral de vele grappige momenten zullen me bij blijven."
Voor deel 3 van de uitgebreide biografie over Reve, in 2012 verschenen, zocht Nop Maas nog het een en ander uit over de Leidse colleges en werkgroepen. Zo ontdekte hij dat Reve het etentje met Adriaan nadien als onkosten probeerde te declareren bij de universiteit. Tevergeefs overigens.
Noten
1. Interview met Tom Rooduijn, januari 1982, opgenomen in 'In Gesprek', p. 240
Tekst: Bert Boelaars